De komende maanden formuleert het nieuwe kabinet de hoofdlijnen van het innovatiebeleid. Er is flink gesaneerd, veel subsidies worden opgedoekt. Hulde daarvoor. De vraag is: wat dan wel?
De kennislobby van Nederland presenteerde twee weken geleden zijn visie en die was kort samen te vatten als: geef ons meer geld. Maar meer geld geven aan een matig functionerend innovatiesysteem is weggegooid geld. Gelukkig voelt het kabinet daar ook niet voor.
Politici en beleidsmakers hebben vaak de reflex van de statistieken. Want me meten tegenwoordig alles van de kenniseconomie. Met al die indicatoren kunnen we onszelf vervolgens vergelijken met andere landen in benchmarks.
Ik stel voor dat we stoppen om ons gek te laten maken door de eindeloze hoeveelheid cijfers. Want we zijn al twintig jaar bezig om betere cijfers te krijgen. Dat heeft ons veel geld gekost, met een zeer mager resultaat. Die cijfers hebben als grootste probleem de wet van afnemend inzicht bij toenemend overzicht. Je denkt in Den Haag dat je het snapt, want je hebt al die cijfers in je spreadsheet staan. Maar je weet niets van de wereld achter die cijfers.
Ik stel voor dat we wereld achter de cijfers centraal stellen in het nieuwe innovatiebeleid. Hoe is het in Nederland om te werken als student, docent, onderzoeker, professor, R&D manager, een venture capitalist of de baas van een groot bedrijf? Waar ondervinden die mensen hinder van het systeem en waar gaat het echt prima? En bovenal: waar krijgen ze dubbelzinnige boodschappen? Daar ga ik het de komende weken over hebben in deze column in de BNR Denktank.
Laten we om te beginnen eens kijken naar de hoogleraar. Via het Haagse beleid zeggen we tegen die hoogleraar: we vinden het heeel erg belangrijk dat je onderzoek doet. We vinden het ook heeel erg belangrijk dat je erover publiceert. En trouwens, we vinden het ook best belangrijk dat je zo af en toe iets concreets probeert te doen met al je kennis, bijvoorbeeld samen met een bedrijf. Daar geven we je subsidie voor.
Maar binnen de universiteit wordt zo'n hoogleraar alleen maar afgerekend op de vraag of er genoeg publicaties op haar naam staan. Maar gelukkig, voor de doorzetters hebben we als samenleving een mooie beloning. Een professor die echt werk probeert te maken van haar kennis noemt de politiek een 'bijklussende hoogleraar'. Geloof me, je moet op een universiteit echt van goede huize komen om het vol te houden, dat toepassen van je kennis.
Niet zo lang geleden had ik een diner met tien professoren. Ik vroeg wie aan tafel een BV had. Precies één van de tien. Als ik zo'n diner had gehad met Amerikaanse professoren dan zouden negen van de tien een eigen BV hebben. Je bent daar een beetje een loser als je dat niet hebt.
De reden waarom dat is? Heel simpel. De universiteit betaalt maar drie tot vier dagen van je werkweek. Die andere dagen moet je je eigen centen verdienen en dat dwingt een prof om ondernemend te zijn. Dus mijn eerste voorstel voor het nieuwe innovatiebeleid: nieuwe professoren betalen we vanaf nu nog maar drie dagen van hun werkweek. Die andere twee dagen verdienen ze maar hun eigen centen. Als we dat doen is over tien jaar iedere hoogleraar een bijklussende hoogleraar. En dat is precies wat we nodig hebben.
Monday, January 31, 2011
Subscribe to:
Post Comments (Atom)
No comments:
Post a Comment