Het nieuwe kabinet denkt na over een nieuwe innovatiebeleid. In de BNR Denktank denk ik met het kabinet mee over het Innovatiebeleid 2.0. Ik hanteer daarbij drie spelregels:
a. Het mag geen extra geld kosten, want dat is er niet;
b. We laten ons niet gekmaken door de cijfers en de vergelijkingen met het buitenland;
c. We richten ons op de wereld achter de cijfers, op de mensen die werken in de kenniseconomie. Waar ondervinden die mensen hinder van het systeem en waar gaat het echt prima? En bovenal: waar krijgen ze dubbelzinnige boodschappen? Waar zitten de kromme prikkels?
Minister Verhagen kondigde zondag in Buitenhof aan dat hij het beleid wil richten op Topsectoren. Onderzoek moet in dienst komen te staan van sectoren van de economie waar Nederland sterk in is. Op zich geen slecht idee, maar hij heeft geen extra geld en papier is geduldig.
Het beleid van de minister heeft bijvoorbeeld geen effect op de samenstelling van onderzoeksgroepen aan universiteiten. Die groepen zijn op dit moment erg homogeen: ze bestaan uit wetenschappers die dolgraag publiceren. Laten we eens kijken hoe dat komt aan de hand van een waar gebeurd voorbeeld.
We nemen twee jonge onderzoekers. Ze krijgen ongeveer tegelijkertijd een baan als onderzoeker, bij de dezelfde vakgroep aan een grote Nederlandse universiteit. De één is echt een onderzoeker, die plezier beleeft aan het gedetailleerde prutswerk dat onderzoek nou eenmaal is. Ze is goed, publiceert veel en haar ster stijgt binnen de vakgroep. Onderwijs geeft ze ook, maar dat raffelt ze een beetje af. Ze ervaart het toch vooral als overlast.
De andere onderzoeker is behoorlijk goed als onderzoeker, maar merkt al vrij snel dat zijn hart ligt bij het lesgeven. Hij is razend populair bij studenten en weet het beste uit zijn studenten naar boven te halen. Hij krijgt prachtige beoordelingen. Door het plezier dat hij beleeft aan onderwijs geven steekt hij er vaak extra tijd in. Veel meer dan de ene dag per week die er officieel voor staat en vaak ook nog 's avonds laat. Dat gaat natuurlijk ten kostte van zijn onderzoek, en hij publiceert een stuk minder dan de onderzoekster waarmee hij tegelijk binnenkwam.
Drie jaar later heeft de top-onderzoekster een vaste aanstelling binnen de vakgroep, terwijl de top-docent op zoek moet naar een andere baan. Zijn contract wordt niet verlengd, want hij heeft te weinig gepubliceerd.
En zo komt het dat die onderzoeksgroepen te homogeen zijn. De publicatiecultuur houdt zichzelf in stand. Waarom? Omdat het ministerie van OCW de universiteiten daarvoor beloont. Het ministerie van OCW zegt via de financiering van de universiteiten: we willen graag dat jullie alleen maar mensen aannemen die dolgraag publiceren.
Voor de goede orde: er is niets mis met mensen die dolgraag publiceren. Maar als samenleving willen we graag dat er aan universiteiten nog drie andere soorten mensen werken. We willen ook mensen die dolgraag lesgeven, die dolgraag toegepast onderzoek doen voor bedrijven en publieke organisaties en mensen die dolgraag ondernemen met kennis. En dat is wat het ministerie van EL&I probeert te bereiken via het innovatiebeleid. Maar ja, zolang het geld van het ministerie van Onderwijs de universiteiten alleen maar beloont voor publiceren blijft dat Innovatiebeleid 2.0 echt vechten tegen de bierkaai.
Subscribe to:
Post Comments (Atom)
No comments:
Post a Comment