Deze week is het dan zover. Ruim tweeëneenhalf jaar na het uitbreken van de grootste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog presenteert Nederland het antwoord op diezelfde crisis. Althans, de mogelijke antwoorden. Er komen deze week 20 rapporten uit van even zovele ambtelijke werkgroepen die mogelijke opties in kaart hebben gebracht. Ze hebben er acht maanden aan kunnen werken.
En nu is dan het woord aan de politici. Het idee van het oude kabinet was dat de politiek daarover zou gaan praten en dan zouden we ergens in september 2010 keuzes kunnen maken die hun effect gaan hebben in 2011. Dat is drieëneenhalf jaar na de start van de crisis.
De manier waarop dit allemaal verloopt is op z'n zachtst gezegd nogal genant. Stel je voor dat een bedrijf in een grote crisis verkeert en management doet er drieëneenhalf jaar over om met een antwoord te komen waarbij het voor zijn keuzes vooral had uitbesteed aan z'n medewerkers? De beurskoers zou op nul staan. En dat is ook ongeveer wat er gebeurt als we kijken naar het vertrouwen van de Nederlanders in de politiek: dat is erg laag.
Het grote probleem van Den Haag is redelijk simpel. Het is het probleem van een volstrekt uit de hand gelopen hoofdkantoor. Ik heb het niet over het totaal ambtenaren in Nederland, nee, ik heb het specifiek over de omvang van de ministeries in Den Haag. Het is een beetje zoals Philips eind jaren tachtig: het hoofdkantoor van de BV Nederland is een uit de hand gelopen waterhoofd. De symptomen van een waterhoofd zijn redelijk bekend: overmatige regelgeving, vergaande bemoeienis met de uitvoering op lager niveau, verlamming van besluitvorming, trage reacties op problemen. Precies wat velen van links tot rechts zien als het grootste probleem van Nederland.
De oplossing ligt deels in een drastische krimp van de departementen. Breng een gemiddeld departement terug tot zo'n 250 beleidsmedewerkers, een reductie met tot een kwart van de huidige omvang. Dat heeft twee effecten: het werk wordt voor de resterende beleidsmakers een stuk leuker (ze gaan weer ergens over) en er ontstaat voor mensen in de uitvoering meer ruimte. Ik ben benieuwd of de ambtelijke werkgroepen zo ver in hun eigen vlees zullen snijden.
Als het lukt ontstaat er ruimte. De kunst is vervolgens om die ruimte goed te benutten. De oplossing is daar relatief eenvoudig: het heet innovatiemanagement. Dat is de afgelopen honderd jaar met vallen en opstaan ontwikkeld in het bedrijfsleven. Zoals goede bedrijven hun vernieuwing managen, zo moeten ook publieke organisaties hun innovatie actief ter hand nemen om op termijn hun relevantie te behouden. Innovatiemanagement is prima bruikbaar in de publieke sector. Het bestaat uit drie basis-elementen: goede ideeën genereren, een stevige selectiedruk om de beste ideeën te laten winnen en rijke en veelvuldige experimenten zodat er geleerd wordt door te doen.
Er zijn ideeën zat in de publieke sector, voordat je het weet heb je 1.000 ideeën. Daar zit het probleem niet. Maar op die andere twee punten gaat het mis. Een scherpe selectie lukt vaak niet. De kunst is om uit die 1.000 ideeën de tien te selecteren die ons echt verder helpen. Dat vergt een goed visie, en dat is een beetje lastig in Nederland. We kiezen steevast met z'n allen brave bestuurders. Ik zou zeggen: doe eens gek in juni en kies op iemand met een uitgesproken visia.
Het tweede wat slecht lukt is experimenteren. We zijn erg goed in het vaststellen van nationale plannen zonder dat we weten of het werkt, wat bijvoorbeeld parlementaire enquêtes oplevert over het onderwijs. Nederland is ronduit slecht in het experimenteren, om vergaande ideeën eerst goed te testen in de praktijk. Neem rekeningrijden. In plaats van een complex plan voor heel Nederland had het kabinet ook kunnen zeggen: we voeren hen niet nationaal in, maar we beginnen met een test in drie steden. Na vijf jaar kijken wat het beste heeft gewerkt en op basis daarvan ontwikkelen we een standaard aanpak voor heel Nederland.
Maar ja, dat betekent regionale verschillen accepteren en dat is lastig met grote beleidsdepartementen: die ontlenen hun bestaansrecht aan vergaande centrale bemoeienis. En eerlijk is eerlijk, bestuurlijk Nederland durft er ook niet aan. Vandaar dat rekeningrijden met succes is ingevoerd in Londen, Stockholm en Oslo, maar nog niet in Nederland. Dat zal pas gaan gebeuren als er iets gebeurt aan de omvang van de departementen en aan de houding van de Nederlandse bestuurders. Heeft u nog wat geduld?
Subscribe to:
Post Comments (Atom)
No comments:
Post a Comment