Ergens rond mijn zestiende vond ik skieëen niet meer leuk. Mijn ouders hadden me als kleuter op de skies gehesen en iedere wintersportvakantie werd ik beter. Tot mijn achtiende, toen zat ik aan m'n plafond. In de twee weken wintersport leerde ik me helemaal suf, maar in de rest van het jaar leerde ik dat weer af. Vanaf mijn zestiende begon ik iedere volgende vakantie weer bij nul. Alleen door jaarlijks meer te skieen had ik mijn stilstand kunnen doorbreken.
Ik moest er aan denken terwijl ik het boek Outliers las van Malcom Gladwell. Gladwell doet in het boek verslag van zijn onderzoek naar de vraag hoe mensen uitzonderlijke prestaties leveren. Ik verwachtte een analyse over het koesteren van top-intelligentie door top-onderwijs aan topscholen en topuniversiteiten. Maar dat idee werd volledig onderuit gehaald.
Om te beginnen door een wat bizar experiment van Lewis Terman dat startte in de jaren twintig van de vorige eeuw. Een groep van 1.500 hyperintelligente kinderen, met een IQ van boven de 140, werd veertig jaar lang gevolgd. Terman verwachtte dat uit zijn groep hypertalenten als vanzelf presidenten, hoge rechters en succesvolle ondernemers naar boven zouden komen. Maar aan het eind van veertig jaar (!) onderzoek was de pijnlijke conclusie dat deze groep briljante mensen vrijwel niets uitzonderlijks had gepresteerd in verhouding tot een willekeurige groep mensen. Intelligentie is blijkbaar een slechte voorspeller voor het potentieel van mensen.
Uitzonderlijke prestaties hebben veel meer te maken met kansen en inspanning. Je wordt alleen een 'uitschieter' door een uitzonderlijke inspanning te leveren. De gouden regel is dat er zo'n 10.000 uur training nodig is om uit te kunnen groeien tot een virtuoos niveau. Dat is drie uur per dag, bijna driehonderdvijfenzestig dagen per jaar, tien jaar lang. In een grappig hoofdstuk laat Gladwell zien dat het de rode draad is tussen succesvolle vioolspelers, de Beatles en Bill Gates. De Beatles leefden zich jarenlang uit op het podium in striptenten in Hamburg, Bill Gates kon op school gebruik maken van een enorm geavanceerde computer en jonge vioolspelers kunnen dankzij de steun van hun ouders (halen, brengen, lesgeld, viool, enz) uitgroeien tot een uitzonderlijk niveau.
Eindeloos veel uren maken levert natuurlijk niet vanzelf succes op. Die enorme trainingsarbeid is alleen maar vol te houden als de student er plezier aan beleeft. Plezier dat voor een flink deel voortvloeit uit de aanleg. Ik had behoorlijk aanleg als skier en vond het geweldig om te doen. Maar op termijn werd het frustrerend. Door de lange onderbreking leerde ik teveel dingen af.
Iets vergelijkbaars speelt op onze scholen. Het overkomt kinderen jaarlijks dat ze lange tijd niets mogen doen op school. We noemen het zomervakantie. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat een deel van de kinderen tijdens de lange zomervakantie hun vaardigheden verliezen, terwijl een andere groep vaardigheden wint. Kinderen uit lagere komen na de zomervakantie met een lager niveau terug op school, terwijl kinderen uit hogere sociale milieus juist vaardigheden bijleren. Het verschil in ontwikkeling tijdens de zomervakantie blijkt de beste voorspeller te zijn van het niveauverschil waarmee de kinderen de school verlaten.
Sociale achterstand is dus niet een onoplosbaar gegeven. De harde realiteit is dat het onderwijs op dit moment zo georganiseerd is dat het sociale achterstanden versterkt. De oplossing is erg eenvoudig. Geen kleinere klassen, geen onderwijs op maat, geen nieuwe studiemethoden. Gewoon de zomervakantie inkorten tot drie of vier weken en tijdens de zomervakantie de school open houden voor wie dat wil. Er zijn genoeg ouders die graag de lessen mee-organiseren en die als onderdeel van het programma bijvoorbeeld iets over hun werk kunnen vertellen.
Het lijkt zo simpel. Maar ja, als het zo simpel was, dan gebeurde het waarschijnlijk al…
Gepubliceerd in OnderwijsInnovatie
Monday, March 1, 2010
Subscribe to:
Post Comments (Atom)
No comments:
Post a Comment